Hier volgen de spelregelvragen van mei met de goede antwoorden.
1. Om een tegenstander te ontlopen, loopt een speler van partij A een aantal meters langs de zijlijn buiten het speelveld. Een speler van partij B, die binnen het speelveld loopt, brengt hem buiten het speelveld opzettelijk ten val door zijn been uit te steken. De scheidsrechter fluit en stuurt de speler van B van het speelveld. Hoe moet het spel nu hervat worden?
- A. Met een directe vrije schop tegen partij B op de zijlijn, zo dicht mogelijk bij de plaats waar de overtreding plaatsvond.
- B. Met een directe vrije schop tegen partij B op de plaats waar de bal was toen werd afgefloten.
- C. Met een indirecte vrije schop tegen partij B op de plaats waar de bal was toen werd afgefloten.
- D. Met een scheidsrechtersbal op de plaats waar de bal was toen werd afgefloten.
2. De lijnen die een speelveld afbakenen:
- A. Mogen niet breder zijn dan 12 cm.
- B. Mogen niet breder zijn dan 10 cm.
- C. Moeten minimaal 10 en maximaal 12 cm breed zijn.
- D. Er zijn geen voorschriften.
3. Wanneer is de bal uit het spel, terwijl deze toch niet over een doel- of zijlijn is gegaan?
- A. Blessure van een speler.
- B. Indien de assistent-scheidsrechter een vlagsignaal geeft.
- C. Na elke onderbreking door de scheidsrechter.
- D. Bij elke buitenspelsituatie.
4. Terwijl het spel “dood” is, spuwt een wisselspeler, zittend op de reservebank, een tegenstander die buiten het speelveld loopt. Hoe zal de scheidsrechter moeten reageren?
- A. Hij geeft opdracht om de wisselspeler achter de afrastering te laten plaatsnemen.
- B. Hij stuurt de wisselspeler van het veld door het tonen van de rode kaart.
- C. Hij geeft de wisselspeler een waarschuwing door het tonen van de gele kaart.
- D. Hij geeft de wisselspeler een vermaning.
5. Welke vorm van doelpalen is niet toegestaan?
- A. Vierkant.
- B. Rond, hafrond of ovaal.
- C. Rechthoekig.
- D. Driehoekig.