Spelregelquiz januari

Hier volgen de spelregelvragen voor de maand januari met de goede antwoorden.

1. Terwijl de bal in het spel is, spuwt de doelverdediger, die zich binnen het eigen strafschopgebied bevindt, een tegenstander, die zich buiten het strafschopgebied, maar binnen het speelveld bevindt, in het gezicht. Welke maatregelen moet de scheidsrechter nemen?

  • A. De doelverdediger wordt van het speelveld gezonden en het spel wordt hervat met een strafschop.
  • B. Indirecte vrije schop op de plaats waar de doelverdediger zich bevond, alsmede het wegzenden van de doelverdediger.
  • C. Directe vrije schop op de plaats waar de doelverdediger zich bevond, alsmede een waarschuwing aan de doelverdediger.
  • D. De doelverdediger wordt van het speelveld gezonden en het spel wordt hervat met een directe vrije schop vanaf de plaats waar de tegenstander zich bevond, toen hij werd bespuwd.

2. Speler A schiet op het doel van de tegenpartij. Op dat moment staat een medespeler van hem buitenspel, maar volgens de scheidsrechter niet strafbaar. Hij laat dan ook doorspelen. De ingeschoten bal wordt echter tegen de doelpaal geschoten en stuit voor de voeten van deze buitenspel staande medespeler, die vervolgens scoort. Wat beslist de scheidsrechter?

  • A. Hij geeft een indirecte vrije schop wegens buitenspel op de plaats waar de medespeler de bal ontving.
  • B. Hij keurt het doelpunt goed en laat hervatten met een aftrap na geldig doelpunt.
  • C. Hij geeft een indirecte vrije schop wegens buitenspel op de plaats waar de medespeler stond toen speler A op het doel schoot.
  • D. Hij keurt het doelpunt af en laat hervatten met een doelschop.

3. De scheidsrechter heeft het spel onderbroken, omdat een speler geblesseerd in het speelveld ligt en direct verzorging nodig heeft. Hij hervat na de verzorging het spel met een scheidsrechtersbal. Van partij A weigeren de spelers daarbij aanwezig te zijn. Wat moet de scheidsrechter nu doen?

  • A. Hij wacht totdat er een speler van partij A aanwezig is.
  • B. In de regels staat nergens, dat de spelers aanwezig dienen te zijn. Hij laat de scheidsrechtersbal dus gewoon plaatsvinden.
  • C. Hij wijst de aanvoerder van partij A op de gevolgen van deze weigering.
  • D. Hij laat partij B een indirecte vrije schop nemen.

4. De doelverdediger vangt de bal met beide handen en wil de bal uittrappen. Een tegenstander loopt in het strafschopgebied richting eigen speelhelft. De doelverdediger schiet de bal tegen de achterkant van de hand van de aanvaller. Daardoor komt de aanvaller verrassend in het bezit van de bal, draait zich om en scoort. Wat beslist de scheidsrechter?

  • A. Het doelpunt wordt afgekeurd, omdat de aanvaller de doelverdediger het uittrappen belet.
  • B. Het doelpunt wordt afgekeurd, omdat de aanvaller de bal opzettelijk met de hand speelt.
  • C. Het doelpunt wordt toegekend, omdat de aanvaller de bal niet opzettelijk met de hand speelt.
  • D. Het doelpunt wordt afgekeurd, omdat de aanvaller zich nog in het strafschopgebied bevindt.

5. Een veldspeler die een tegenstander vasthoudt, moet alleen worden bestraft met een directe vrije schop c.q. strafschop, indien dit:

  • A. Onvoorzichtig, onbesuisd of gepaard gaande met buitensporige inzet gebeurt.
  • B. Naar het oordeel van de scheidsrechter gebeurt.
  • C. Altijd gebeurt.
  • D. Met twee handen gebeurt.